Effect van ADHD-medicatie op het zich ontwikkelende brein

Achtergrond

Kinderen met ADHD gebruiken vaak medicijnen, zoals ritalin, concerta of strattera. In veel gevallen helpen deze medicijnen de kinderen om zich beter te kunnen concentreren. Hoewel deze medicijnen al sinds lange tijd worden voorgeschreven aan kinderen, bestaan er nog veel vragen over, zoals:

  • Wat is het effect van ADHD-medicatie op de ontwikkeling van de hersenen van kinderen met ADHD?
  • Zijn er effecten van medicatie die pas later, bijvoorbeeld in de jonge volwassenheid, aan het licht komen?
  • Wat gebeurt er als kinderen of jongeren met ADHD de medicatie voor een lange periode gebruiken? 

Het onderzoek

In dit onderzoek proberen we deze en andere vragen over medicijngebruik bij kinderen met ADHD te beantwoorden. We maken daarvoor gebruik van gegevens uit een groot lopend onderzoek, dat deels plaatsvindt aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en de Vrije Universiteit in Amsterdam. Meer dan 800 kinderen hebben inmiddels aan dit onderzoek meegedaan. De kinderen en hun ouders hebben neuropsychologische tests gemaakt, DNA afgestaan, vragenlijsten ingevuld, en meegewerkt aan interviews. Daarnaast is er bij de kinderen een MRI-scan van hun hersenen gemaakt, en hebben we van apotheken gedetailleerde informatie gekregen over hun medicijngebruik. Door al deze informatie samen te voegen proberen we een beter beeld te krijgen van de effecten van ADHD-medicatie op het zich ontwikkelende brein.

De resultaten

Dit onderzoek liep van juli 2012 tot juli 2016. De resultaten zijn inmiddels bekend en gepubliceerd.

Onze bevindingen wijzen niet op schadelijke effecten van stimulantia op de ontwikkeling van het brein. Medicatiegebruik leidt niet tot veranderingen in de dikte van de hersenschors, het volume van het striatum of activatiepatronen in het striatum tijdens beloning. We vinden ook geen aanwijzingen voor beschadiging van de frontostriatale witte stof connectiviteit na gebruik van ADHD medicatie. Bovendien vinden we dat kinderen met ADHD die medicatie gebruiken dezelfde ontwikkeling laten zien in hun gedrag als kinderen met ADHD die geen medicatie gebruiken.

We vinden één aanwijzing voor een structurele verandering in het brein, in een specifieke patientgroep. Bij jong behandelde kinderen die drager zijn van het DRD4 7R-allel, staat meer blootstelling aan stimulantia in verband met een groter volume van de hippocampus. De hippocampus is belangrijk voor leren en geheugen. In onze deelnemers is het geheugen helaas niet gemeten; echter geheugenproblemen gaan meestal juist gepaard met een kleiner, niet groter, volume van de hippocampus.

We vinden sporadisch aanwijzingen voor mogelijk positieve of normaliserende effecten van ADHD medicatie op de ontwikkeling van het brein. Zo vinden we dat de frontaalschors kleiner is bij kinderen, jongeren en jongvolwassenen met ADHD vergeleken met leeftijdsgenoten zonder ADHD. Bij jonge patiënten met het DRD4 7R-allel die stimulantia gebruiken is de frontaalschors niet afwijkend kleiner. Een positieve effect van stimulantia kan zich ook manifesteren in een compensatoir proces. We vinden dat patiënten met een geschiedenis van vroeg-begonnen en hoog-gedoseerde behandeling, maar niet patiënten met een geschiedenis van laat-begonnen en laag-gedoseerde behandeling, tijdens beloning activatie in hersengebieden laten zien die belangrijk zijn voor cognitieve controle. Voor patiënten met ADHD, die vaak geneigd zijn impulsief te reageren op beloning, is meer cognitieve controle waarschijnlijk positief.

Alles tezamen concluderen we dat de lange-termijn effecten van behandeling met stimulantia op het zich ontwikkelende brein met ADHD subtiel zijn. Veel vaker dan wél, vinden we géén verband tussen medicatie en breinstructuur. We vinden geen aanwijzingen voor schadelijke effecten, maar ook weinig bewijs dat langdurig medicatiegebruik de ontwikkeling van het brein zou kunnen normaliseren. We vinden geen lange-termijn positieve dan wel negatieve gevolgen van medicatiegebruik op de ontwikkeling van ADHD symptomen of sociaal-emotioneel of cognitief functioneren. In andere woorden: de sporadische veranderingen die we wel vinden in het brein, lijken zich dus niet te vertalen naar beter of slechter functioneren.

Een volledige Nederlandstalige samenvatting van het onderzoek vind je hier.

De onderzoekers

Drs. Lizanne Schweren, Dr. Pieter Hoekstra (hoofdonderzoeker), Dr. Catharina Hartman

Meer informatie

Lizanne Schweren, onderzoeker in opleiding: l.j.s.schweren@umcg.nl
Pieter Hoekstra (hoofdonderzoeker) & Catharina Hartman
www.neuroimage.nl 
www.lizanneschweren.com